Martin van Tulden

 

 

WELKOM OP DE WEBSITE VAN DE FAMILIE VAN THULDEN

 

 

 

 

 

Home

 

Geschiedenis

 

Uitleg naam:

 

Tuldel:

 

Dit gehucht op de grens met Esbeek ontleent zijn naam aan de grote Tulderhoeve. De oudste uitspraak Tuldel, volgehouden tot diep in de 17e eeuw, evolueerde tot Tulder. Het woord is vermoedelijk samengesteld uit een vervoeging van "tulen" en "lo". Tulen, tuylen, toelen en tuelen is volgens Kiliaen een veld bebouwen. Uitgaande van de hypothese dat "tul" van teulen komt, kan de naam van de Tulderse Hoeve worden verklaard als plaats in het bos, die omgeploegd en beteuld of bebouwd wordt. Interessant is dat de familie Van Tulder haar naam aan dit gebied ontleent. 

 

 

Theodoor van Thulden ('s-Hertogenbosch 1606-1669 's-Hertogenbosch):

Kunstschilder

In 1605 trouwden in 's-Hertogenbosch de lakenkoopman Jacobus van Thulden en Heylke van Meurs. Een jaar later wordt de oudste van vijf kinderen geboren: Theodoor, die op 9 augustus 1606 in de Sint Janskathedraal zou worden gedoopt.
Theodoor trekt op vijftienjarige leeftijd naar Antwerpen, waar hij ingeschreven wordt bij het schildersgilde. Het eerste jaar is hij leerling bij Abraham Bleyembergh; aangenomen wordt dat hij van 1622 tot 1626 bij de beroemde Rubens in de leer was. In 1626 krijgt hij de meesterstitel.
Van 1631 tot 1633 verblijft Van Thulden in Frankrijk. Onder andere vervaardigt hij er 19 schilderijen voor een kerk. Hij keert in 1634 terug naar Antwerpen. Het jaar daarop krijgt hij opdracht versieringen in Antwerpen te ontwerpen bij de intocht van Ferdinand van Oostenrijk; een gebeurtenis die op 17 april 1635 plaatsvond. Hij krijgt tevens de opdracht de feestelijkheden vast te leggen in een serie gravures. Eerst jaren later zou dit boek, de Pompa Intoitus Ferdinand, in druk verschijnen.
In 1635 treedt hij in het huwelijk met Maria van Balen, die toen 17 jaar oud was en petekind van Rubens. Het jaar daarop wordt Theodoor vader en krijgt hij het burgerrecht van Antwerpen.
Toch zal Theodoor van Thulden niet in Antwerpen blijven wonen. Hij keert terug naar zijn geboortestad. Wanneer weten we niet: na 1644, en in ieder geval in 1652 woont hij in Achter het Wild Varken. Over hem wordt dan geschreven als 'Van Thilden hout syn woonplaetse nu tegenwoordich tot sHertogenbosch daer hy om syn const in groot aensien is'.
In 1669 sterft Van Thulden op 62-jarige leeftijd. Op 12 juni van dat jaar wordt de uitvaartdienst gehouden in de Sint Jan.

 

 

Deel geschiedenis Tulderhoeve:

 

Wie oude land- en stafkaarten van het grensgebied tussen Alphen, Goirle, Poppel, Hilvarenbeek en Weelde bekijkt, komt al snel tot de conclusie dat dit gebied tot rond 1900 bestond uit onafzienbare heidevlakten. Op Nederlands gebied lagen in een krans rondom de rijksgrens de Poppelse, de Rechte en de Overheide, de Brehese en de Rovertse Heide, de Aalst Heide, de Wellenseindse Heide en de Weeldse Heide. Als kleine oases lagen in deze enorme heidegebieden langs de grens landbouwgebieden, waarvan de historie vaak teruggaat tot in de middeleeuwen. In Alphen het gebied de Hoeven of den singhel vanden Nieulande tot Alffen, bestaande uit vijf boerderijen van de abdij van Tongerlo. 
In het uiterste zuidwesten van het Goirlese grondgebied vinden we de Lamenakker, een landbouwgebied met voornamelijk Poppelse eigenaren. Iets noordelijker, tussen de Rechte en de Overheide stond op Goirles gebied, de Koeijweijde, een abdijhoeve van Tongerlo, en ertegenover op Poppels gebied, het Wit Huis. Verder naar het oosten zien we vooral in het beekdal van de Rovertse Leij wat landbouwgrond en een drietal woonkernen. Tenslotte tussen de Aalst Heide en Wellenseindse Heide de Tulderhoeve, een boerderij van de abdij van Averbode.

 

In dit artikel wil ik nader ingaan op het ontstaan van twee landgoederen in dit gebied: Nieuwkerk en Gorp en Rovert. Op de eerste plaatst zal de afgelegen ligging ten opzichte van de omringende dorpen een rol gespeeld hebben in het ontstaan van deze landgoederen, maar zoals we nog zullen zien, heeft ook politiek beleid, zowel op hoog- als op dorpsniveau, een rol gespeeld bij het ontstaan van het grootgrondbezit langs de grens.

De Gemeijnt

De namen Nieuwkerk, Gorp en Rovert betroffen vroeger niet de gehele oppervlakte van de huidige landgoederen, maar alleen de kleine woonkernen in dit eenzame grensgebied. De omringende heidevelden maakten deel uit van de zogenaamde gemeijnt, woeste gronden, die aan de plaatselijke bevolking in vruchtgebruik waren gegeven door de hertogen van Brabant; aan Goirle en Tilburg in 1329 en aan Weelde, Poppel en Hilvarenbeek in 1331.
Bij de uitgifte van de gemeijnt was het niet altijd zo dat dit gebied precies de jurisdictie van een bepaalde plaats omvatte, wat later vaak aanleiding gaf tot onenigheid tussen de bewoners van aan elkaar grenzende dorpen. Zo meenden de boeren van de Beekse gehuchten Gorp en Rovert rechten te hebben op de gemeijnt op Goirles gebied, en mocht de hoevenaar van Tulder te Esbeek zijn schapen ook weiden op de gemeijnt van Poppel en Mierde. Tot ver in de l9e eeuw vochten Goirle en Riel over de rechten op de
heide tussen deze twee dorpen, en tussen de inwoners van Hilvarenbeek, Poppel en Weelde ontstonden geschillen over het gebruik van de gemeijnt tussen deze plaatsen tot in de l8e eeuw.

Vooral voor de boerenbevolking was het vruchtgebruik van deze heidevlakten van groot economisch belang. In l670 schrijft Jacob van Oudenhoven: de woeste heijden sijn mede wel schrael ende magher maer geven noch eenighe nutticheijdt voor de inwoonders. Sij weijden daer op haere schapen ende halen hare beijen daer mede haer voetsel. De vlagghen die sij daer van halen ghebruijcken sij ten deele tot haren brandt ende ten deele om daer magher landt mede vet te maecken als het tot assen verbrandt of tot messe verrot is. De heide leverde dus plaggen, en strooisel voor in de stal. Naast schapen liet de bevolking ook koeien, geiten en zelfs paarden op de gemeijnt grazen, er werd wit zand gewonnen, waar leem aanwezig was, konden stenen gebakken worden in veldovens, en de aanwezigheid van waschkuijlen op de heide bij Rovert duidt erop dat ter plaatse schapen gewassen werden. 

Na de Vrede van Munster in 1648 traden de Staten-Generaal in de rechten van de Brabantse hertogen en konden particulieren met octrooi van de Staten stukken gemeijnt kopen, welke soms door de nieuwe eigenaren ontgonnen werden. Zo werden in de tweede helft van de 17e en het begin van de 18e eeuw te Hilvarenbeek 141 percelen gemeijnt verkocht, gelegen in de buurt van de cultuurgronden. Door de afgelegen ligging van de heide in het grensgebied ontstond daar vrijwel geen vraag van particulieren. Te Hilvarenbeek werd in ieder geval in de periode 1648-1766 geen enkel perceel gemeijnt verkocht bij de buurtschappen Gorp en Rovert. Het onaangetast blijven van de grote heidegebieden in het grensgebied kan dus als een van de oorzaken worden gezien van het ontstaan van het grootgrondbezit in de loop van de 19e eeuw.

Gorp en Rovert

Leengoederen langs de Leij

Belangrijk voor het ontstaan van het latere landgoed Gorp en Rovert was ook de aanwezigheid van een aantal leengoederen langs en in de buurt van de Rovertse Leij. Zoals we bij de inleiding gezien hebben lag in het dal van de Rovertse Leij een aantal zeer oude, kleine landbouwgebieden, welke leenroerig waren aan de hertogen van Brabant en later aan de Leenhof van de Raad van Brabant in 's-Gravenhage. Een belangrijk gegeven hierbij is dat verschillende van deze leengoederen dezelfde leenman hadden als het leengoed Gorp. 
In het noorden, bij de Goirlese watermolen langs de molendijk, lag leengoed De Vloed, een moerassig weidegebied. Aan het einde van de voornoemde Molendijk lag het leengoed de Heijhoeve, bestaande uit ruim 22 bunders woeste grond in leen gehouden door Peter Niclaes Sterts uit Goirle en in 1l660 door zijn erfgenamen verkocht. De nieuwe eigenaren verzochten de Raad van Brabant in l685 ootmoedig om van de Heijhoeve allodiaal goed te maken. Dat gebruijck der Heijhoeve is alleen daerinne bestaande dat om de vijff jaren van de gedeeltens derselve de heij wierde bemaeijt ende deselve onder de beesten bestroijt. Tot haren grooten costen willen de nieuwe eigenaren de Heijhoeve voor eenige gedeeltens tot culture brengen. Dit verzoek werd ingewilligd tegen betaling van 1/3 deel van de waarde na taxatie door de Beekse dorpsregenten.

Zuidelijker langs de Leij lag het leengoed Bruheeze bestaande uit groes en weijde. Het voornaamste leengoed in dit gebied lag nog zuidelijker ten oosten van de Rovertse Leij namelijk de hoeve van Gorop, in de oudste cijnsboeken van de Raad- en Leenhof te Brussel omschreven als meer dan lll bunders groot en bestaande uit bouwland, heide, weilanden en beemden, waarschijnlijk rond 1250 in cultuur gebracht en als leengoed uitgegeven door de hertogen van Brabant.
Tot 1312 was Wouter van Gorp leenman van de hoeve van Gorp. De familie Van Gorp alias Schellekens bleef leenman tot l556. Daarna zien we de priester Peter Cornelis Daems, zoon van Adriana Schellekens. In l589 verheft Jan Montens het goet tot Gorp, te wetenen landt heijde ende weijde, bij doode ende successie wijlen heer Peter Cornelis Daems sijns moeders oom.

Cornelis van de Locht, behuwdoom en voogd van Jan Baptist Montens, verhief de hoeve tot Gorep onder Hilvarenbeecq in l645. Genoemde Jan Baptist werd op Gorp geboren in 1638 als zoon van jonker mr. Goyaert Montens heer van Berkel en te Gorp. In 1671 trad Jan Baptist Montens in bij de reguliere kanunniken van het Augustijnenklooster Corsendonk bij Turnhout.
Voor notaris Van Bommel te Breda compareerden in 1714 Johannes de Crom en Petrus van Beeck beide woonachtig te Breda met het verzoek bij overlijden van Jan Baptist Montens, hennen moederlijcken oom voor de raad van Brabant ontheven en onterfd te worden van eene hoeve lants, schuijre, schaepskoije, hoff ende boomgaert mette aenstede ende erffenisse daeraenliggende ende daertoe behoorende in verscheijdene parcelen, omtrent Hilvarenbeecq ter plaetse Gorp mette achterlenen, appendentiën ende dependentiën van dien. Beiden waren zonen van Goverdina (Genoveva) Josina Montens uit haar huwelijken met respectievelijk Johannes Augustinus de Crom en Gerard van Beeck. Goverdina Josina bezat bovendien de reeds genoemde leengoederen de Vloed, Bruheze en de Crommenbeempt en verhief deze in 1683 ten behoeve van haar minderjarige zoon Johannes de Crom.

Gorp zijnde leenroerig uijtgenomen een heijdeveldeken van 6 lops., werd voor notaris Van Loon te Tilburg in 1714 voor f 920 verkocht aan Cornelis Jan Span uit Hilvarenbeek door mr. Gerardus van Beeck raet, meijer en rentmeester van de abdis van Thoor, vader en voogd van Cornelia van Beeck en lasthebber van Johannes de Crom en Petrus van Beeck. Cornelis Span machtigde enkele maanden later Pieter Roscam, procureur van de Raad van Brabant, om zijn leen voor het leenhof van deze raad te verheffen. Bij deze transacties is steeds sprake van een huis op Gorp, in de l7e eeuw genaamd de Montenshoeve en in de l8e eeuw het leenhofke of leenhof de Koepel.

Gorp een landgoed

Op 19 juli 1758 werd het leengoed Gorp opnieuw met alle onderlenen en bijbehorende goederen verheven door de nieuwe eigenaar, Cornelis Bles. Bles was afkomstig uit Tilburg, waar hij op 12 november 1724 N.H. gedoopt werd als zoon van Govert Bles, ouderling, gezworen klerk ter secretarie en schepen van Tilburg, en van Arnolda Cloostermans. Op 29 augustus 1755, trouwde hij in de Walenkerk te Amsterdam Marthe Catherine Peneux, zich ook noemende Peneux Gebert, afkomstig uit Suriname, waar zij koffieplantages bezat.16 Deze plantages hebben de familie geen windeieren gelegd. Zo machtigde vrouwe Bles-Peneux in 1799 haar zoon Govert Jacobus Bles om 10.000 pond koffie, aangevoerd met het schip Jupiter in de haven van Hamburg, te verkopen en alle andere produkten, vrouwe comparante in eijgendom competerende aangevoerd met het schip Jupiter of andere schepen in Hamburg of andere havens onder zich te nemen. Cornelis Bles maakte een bliksemcarrière als ambtenaar. Te Tilburg was hij presidentschepen, procureur en notaris. Daarnaast werd hij rentmeester van de heerlijkheid Boxtel.

Kort na het sluiten van zijn huwelijk begon hij met het investeren van geld in onroerende goederen, waarmee zijn ouders al waren begonnen gezien het feit dat hij in 1758 van zijn zuster, Catharina Goverdina Bles, weduwe van Antonij van Hanswijk te 's-Hertogenbosch, haar1/6 deel kocht in alle vaste en onroerende goederen nog gemeen en onverdeelt, afkomstig van hun ouders zaliger, bestaande in huijsen, tuijnen, plantagien, ackers, weijlanden, moeren en heijde soo onder Tilburg, Goirle en Hilvarenbeek als onder Alphen, staande in de inventaris des boedels wijlen Govert Bles voor f 6.000. Kort voor en na deze transactie, blijkt dat de interesse van Bles vooral gericht was op de buurtschap Gorp en omgeving. In l757 kocht hij van Cornelis de Back, rentmeester der geestelijke goederen van het kwartier Kempenland en Oisterwijk, 1/4 in een clamp thiende tot Gorp competerende aan het gemeene landt met de verplichting te contribuëren in het onderhout der kerke van Hilvarenbeek en het vergieten der thiende klocken aldaer. Dit voor de prijs van f 450. Enkele maanden later kocht hij van De Back voor f  6500 de tiende over de geheugte genaamt Rovert, Hulsel en Gorrop bestaande in grove en smalle tiendens.

In 1748 werd hij eigenaar van percelen land in de Heijdehoeve 't eijnden den Molendijck. Zes jaar later kocht hij een perceel heide op Rovert. Rond 1770 werd hij eigenaar van particuliere heidepercelen tussen de buurtschappen Gorp en Brehees en van percelen gelegen onder Goirle in het gebied van de Nieuwe Hoef aan de westkant van de Rovertse Leij. Van Adriaan van Gils kocht hij een perceel heijde onder Goirle langs de rivier ter plaatse Gorp bij de Hoolbrug, van Johanna Roijmans heijde en santduijnen op Gorp, en van Jan Willem Scheepens een perceel hooijbeemt en heijde voor en over de Leij tussen Gorp en Bruheze in de Donkerbroeken.

Om het gebied te ontsluiten liet hij ten gerief van de inwoners van Gorp, Rovert en Brehees, geheel omringd door de gemeijnte een dijk aanleggen van dertig voet breed vanaf de weg van Rovert naar Hilvarenbeek richting de Leenhoef. Daar agterom sijne steede, tans bewoont wordende bij Antonij Moonen, lijnrecht door de heijde tot aan de huijzinge van Antonij Nooijens op Breheeze en vandaar naar de Molendijk, die uitkwam bij de Goirlese watermolen. Door deze dijk werden vooral 's winters de bewoners uit hun isolement gehaald, omdat het dan onmogelijk was met karren dwars door de heijde naar Goirle en verder naar Tilburg, Waalwijk of elders te varen, waar wij onze granen ter markte brengen.
Door Bles is ook begonnen met de bebossing van Gorp. Tegenover de leenhof liet hij het Starrebosch of de warande aanleggen en als grootste geërfde van Gorp verzocht hij in l758 de Raad van Staten om de gemeijnt tegen en langs deszelfs percelen liggende met hout te mogen beplanten en die nieuwe beplanting met eenig heijnsel, graft off wallen te mogen afsluiten.

Verkoop van Gorp

Na de dood van Cornelis Bles - hij werd 5 juli 1790 te Tilburg begraven - werden de leengoederen Gorp, Bruheze en de Vloed op 5 augustus1793 verheven door zijn weduwe. Marthe Catharine Peneux. Zij overleed te Boxtel 4 september 1799 en werd op 7 september d.a.v. te Tilburg begraven. Haar in Brabant wonende kinderen verklaarden na haar dood het regt van beraad op den boedel te nemen en de erfenis niet te aanvaarden, omdat andere gezinsleden, verblijvende in het buitenland, onkundig waren van de dood van hun moeder uijthoofde der troubles van oorlog. Hierbij wordt tevens verklaard dat de goederen van de weduwe Bles grootendeels bestaan in buijtenlandse bezittingen in de colonie van dit gemeene best.

Bij de boedelscheiding zou Gorp eigendom worden van Govert Jacob Bles, zoon van Cornelis en notaris te Boxtel, maar schulden verplichten hem in 1819 het landgoed te verkopen tot voorkoming van geregtelijke uitwinning en om hem (Bles) van het onaangename van eene verkoop bij executie te bevrijden. De publieke verkoop vond plaats in de herberg van Dionysius Botermans aan den Heuvel te Tilburg door Paulus Joseph Jean de Bosschaert de Bouwel, particulier te Antwerpen als gelaste van de overige Antwerpsche crediteuren, welke hypothecaire inschrijvingen op de vaste goederen van Govert Jacob Bles zijn hebbende, speciaal van den heer Hendrik Jacob le Grelle, rentenier tot Antwerpen. De vaste goederen werden aangeboden in 26 kopen, waarvan de eerste drie kopen bestonden uit drie hoeven op Gorp met schaapskooien, schuren, bakhuizen en stallingen, nu nog bekend als de Grote Hoef, de Leenhof en de Kleine Hoef, in 1819 verhuurd aan Adriaan van Hest, Jan Baptist en Johanna van de Laar en Mathijs Brouwers. De vierde koop bestond uit de warande, groot 95 lops. Daarnaast werden de Vloed, de tienden van Gorp, Rovert, Hulsel en Overbroek, percelen grond langs de wegen van Hilvarenbeek naar Goirle en Tilburg en de Postbeemd te Poppel te koop aangeboden. Koper van de massa werd voor f  17.100 Paulus Joseph Jean Bosschaert de Bouwel.

Gorp in handen van adellijke geslachten

De nieuwe eigenaar van Gorp werd dus de schatrijke Antwerpse grootgrondbezitter ridder Paul Joseph Jean de Bosschaert, heer van Bouwel, gedoopt te Antwerpen 22 juni 1756 als zoon van Jean Joseph Henri de Bosschaert en Isabella Anne Marie de Witte. Toen De Bosschaert te Antwerpen op 24 september 1836 overleed, liet hij een vermogen na met een zuivere waarde van f 490.057,73. Tot de onroerende goederen behoorden een huis te Antwerpen, het kasteel van Bouwel, boerderijen te Wilrijk, Brecht, Hoogstraten en Herenthout, een boerderij te Stoppeldijk in Zeeland en goederen te Hilvarenbeek, Goirle, Alphen en Tilburg. Tot de schuldvorderingen behoorde een obligatie van f 1700 ten laste van de Israëlische gemeente van Tilburg. Na zijn overlijden werden zijn bezittingen te Goirle en Hilvarenbeek getaxeerd door Peter Jan Karel Hendrikx en Antonie van Lommel uit Hilvarenbeek en bij deze taxatie blijkt dat De Bosschaert reeds voor de aankoop van het landgoed van notaris Bles, grondeigenaar was in deze streek. Op het Goirlese grondgebied van Gorp, werd hij rond l8l0 eigenaar van de boerderijen de Nieuwe Hoef, het Sluisken en het Paradijsken, respectievelijk verpacht aan Willem van Puijenbroek en zijn zoons Hendrik en Ludovicus van Puijenbroek.

Dit kleine gebied tegen de Rovertse Leij was een van de drie woonkernen op Gorp en Rovert. Volgens de historisch-geograaf drs. H.J.M. Thiadens zou de bebouwing van deze buurtschap zeer oud zijn en dateren uit de tijd dat ten zuiden van deze boerderijen turf gewonnen werd in de Moerkens. Volgens voornoemde auteur zou vanaf het Paradijsken een turfvaart gelopen hebben, parallel aan de Rovertse Leij, noordwaarts, richting Goirle. Deze vaart zou tevens in verbinding hebben gestaan met het vennengebied ten noorden van Gorp, waar ook turf gewonnen werd. 
Terug naar De Bosschaert zien we dat zijn Beekse bezittingen in 1836 getaxeerd werden op een waarde van f 19.327. Zijn Goirlese en Tilburgse goederen zouden een waarde hebben van f 21.007. Volgens zijn testament, dat hij in l835 deponeerde bij notaris Van Berckelaer te Antwerpen fermé en huit endroits diffirents au moyen d' un cachet portant des armoiries, gaf hij het volle eigendom van de helft en het vruchtgebruik van de wederhelft van zijn nalatenschap aan zijn enige dochter Isabella Ernestina Sophia Paulina de Bosschaert de Bouwel, geboren uit zijn huwelijk met Marthe Jeanne Marie Vincente de Proli en getrouwd met Jean Ferdinand Marie Joseph Osy heer van Wichem. Het bloot eigendom van de wederhelft was voor Augustinus Marie Joseph de Bosschaert de Bouwel, rentenier te Schooten, op voorwaarde dat zijn dochter eigenaresse werd van de Hollandsche goederen. Door Augustinus M.J. de Bosschaert werd in 1837 aangifte gedaan van de overdracht in eigendom ten behoeve van de ontvanger der successierechten van het kantoor Tilburg ten huize van zadelmaker Frans van der Weegen. Hierbij werd de overlijdensakte van de erflater getoond, opgemaakt door notaris Van Berckelaer in tegenwoordigheid van boekhouder Joannes Jockx en practizijn Albertus Spinnael.

Na de dood van haar vader werd Isabella de Bosschaert de Bouwel dus erfgename van het landgoed Gorp, dat flink was uitgebreid met drie boerderijen onder Goirle en bovendien het moerasgebied de Vloed omvatte, dat zij in l838 verkocht aan kroonprins Willem van Oranje, de latere koning Willem II.
Door meester Broeders uit Hilvarenbeek wordt in die tijd Gorp omschreven als een gehucht langs de rivier de Run, meestal de Leije genoemd, een water dat tevens de grenscheiding uitmaakt tusschen de gemeenten Goirle en Hilvarenbeek. Gorp bevat zeven huizen. Vier derzelve zijn tamelijk groote boeren hofsteden en behooren met een aantal elders gelegene landhoeven aan den heer Osy de Wichem te Antwerpen. De III bunders 74 roeden lands, welke tot deze 4 boerderijen behooren, bestaan uit zeer goed bouw- wei- en hooiland, welke laatste, voor zoo veel het onder Hilvarenbeek gelegen is, eene grootte van 13 bunders bevat dat geene bemesting behoeft, maar door jaarlijksche overstrooming zijne vruchtbaarheid verkrijgt; verder uit schaar- en mast bosschen, benevens eene groote uitgestrektheid onbebouwde heidegronden. De landerijen en bosschen zijn door fraaije welwasschende dreven doorsneden en leveren aangename wandelwegen op. Voor de hoeve het Leenhof genaamd, ligt het zoogenaamde Starrebosch; het heeft eene uitgestektheid van 6 bunders 52 roeden; in het midden bevindt zich een schoone vischvijver, op welken alle de wandeldreven uitloopen.

In deze periode vinden op Gorp bij de Leenhoef ook jaarlijkse houtverkopingen plaats met een gemiddelde opbrengst van f 800.
Het echtpaar Osy-de Bosschaert bleef kinderloos, en na het overlijden van haar man in 1846 benoemde Isabella de Bosschaert de Bouwel haar vier nichten Della Faille tot enige en universele erfgenamen. Zij overleed te Antwerpen aan het Kipdorp op 5 november 1852. Haar Goirlese bezittingen hadden toen een waarde van f 5.31l8,65. Haar Beekse bezittingen en de tienden van Gorp, Rovert, Hulsel en Overbroek vertegenwoordigden een waarde van f 18.272. De vier nichten, die Gorp als onverdeeld bezit enige jaren in eigendom zullen houden, zijn de dochters van Charles Antonine Marie Hyacinthe della Faille en Isabella Caroline Josephine de Bosschaert de Bouwel uit Antwerpen met name Pauline Isabella Marie Josephine getrouwd met August Thomas Joseph Moretus, Eugenie Reine Marie Josephine, getrouwd met Desiré Antoine Florentin Marie Joseph Mincé baron du Font Barré en heer van Fumal, Marie Catharine Isabella Josephina, getrouwd met Eduard Joseph Guyot en Julie Marie Josephine getrouwd met Eduard della Faille.
In de jaren 1863/1868 zal Gorp weer geheel in één hand komen, namelijk in die van Coralie Marie Joseph Mincé baronesse du Fontbarré de Fumal, dochter van Eugenie Reine Marie Josephine della Faille. Na haar overlijden te Luik op l2 januari l868 werd Gorp eigendom van de familie De Zerezo de Tejada.

De Zerezo de Tejada

In 1868 werd aangifte gedaan van het overlijden van Coralie Marie Joseph Mincé door haar man Eugène Francois Joseph de Zerezo de Tejada, geboren te Diest op 1 juli 1824 als zoon van Joseph Vincent de Paule de Zerezo de Tejada en Elisabeth Desirée Lynen.
Het geslacht De Zerezo was afkomstig uit Spanje waar hun voorvader, don Sancho de Tejada, bevelhebber zou zijn geweest in het Spaanse leger in de slag tegen de Moren bij Clavijo in 862. De Zuidnederlandse stamvader van het geslacht kwam tijdens de Spaanse overheersing met het regiment Spaanse dragonders naar de Nederlanden waar hij te Diest in l648 trouwde met Anna Ferrara. Eugène Francois Joseph de Zerezo was een rechtstreekse afstammeling van dit echtpaar. De familie voerde een grote staat en liet in l849 het 'kasteel' te Veerle bouwen. 
Bij koninklijk besluit van 26 juli 1851 werd de adellijke afkomst van de familie door Leopold I erkend, en op 28 april l87l werd Eugène F.J. de Zerezo de Tejada tot baron verheven, een titel die overerfelijk werd op al zijn afstammelingen. De Zerezo de Tejada was volksvertegenwoordiger, ridder in de koninklijke orde Karel III, officier in de Leopoldsorde, in de Spaanse militaire orde van verdienste 2e klasse en commandeur in de Portugese Christusorde.

Na de dood van zijn vrouw werd het landgoed Gorp door Eugène de Zerezo opmerkelijk uitgebreid. Het liet het jachthuis bouwen, nu bekend als het Kasteeltje, en maakte handig gebruik van de gemeenteraden van Goirle en Hilvarenbeek. Het beleid van de dorpsbesturen in beide plaatsen werd namelijk gekenmerkt door passiviteit en zuinigheid. De gemeentelijke uitgaven werden zo laag mogelijk gehouden en iedere uitgave boven de begroting werd bij voorkeur gefinancierd door de verkoop van woeste gronden, de vroegere gemeijnt, die na de Franse tijd eigendom was geworden van de gemeenten.

In 1869 kocht De Zerezo ruim 305 ha woeste grond van de gemeente Goirle, gelegen in de Overheide ten westen van de Rovertse Leij. Datzelfde jaar werd ook woeste grond gekocht van de gemeente Hilvarenbeek en een boerderij van de familie Damen. Daarna volgde de koop van grond en boerderijen in het gebied Gorp en Rovert van particulieren in de jaren1871-1876. Voor de totale som van f 10.400 werd hij in het eerstgenoemde jaar eigenaar van de boerderijen van de weduwe Van Nunen, de kinderen Van den Nieuwenhuijzen en Piet van Gestel, terwijl hij in dat jaar ook eigenaar werd van bijna 2 ha grond onder de gemeente Poppel.
Eugène de Zereze de Tejada overleed plotseling te Elsene, waar de familie ook een huis bezat, op 7 februari 1887. Hij werd begraven op het kerkhof van Veerle, waar op zijn graf een monument van beeldhouwer Mortelmans uit Antwerpen werd geplaatst.
De taxatie van zijn Nederlandse bezittingen werd opgemaakt ten huize van herbergier Cornelis Paulissen, pachter van de hoeve het Paradijsken. Het Hilvarenbeekse gedeelte van het landgoed was op dat ogenblik ruim 374 ha groot. Bij de boedelscheiding van de goederen voor notaris Louis August Lecocq te Elsene tussen de vier ongehuwd gebleven kinderen van de baron, kwam het landgoed Gorp in handen van de jongste zoon, Gustave de Zerezo de Tejada. Gustave was een avonturier die al vroeg zijn erfdeel verbrast zou hebben. Hij overleed, zevenentwintig jaar oud, in 1895 te Oran in Algerije.

Het landgoed Gorp kwam in 1894 onder de hamer. Dit gebeurde in de herberg van Frans Damen te Hilvarenbeek ten verzoeke van Jan Smolders, timmerman te Hilvarenbeek, als mondeling gemachtigde van notaris Lecocq te Elsene en ten behoeve van Gustave de Zerezo de Tejada, zonder beroep, woonachtig te Brussel. In negentien kopen werd het landgoed aangeboden o.a. het jachthuis met de warande, leenhof de Koepel, de Kleine Hoef, de Grote Hoef, de Houthoef, twee boerderijen in de buurtschap Rovert en de Nieuwe Hoef en het Paradijsken onder Goirle. Bij de finale verkoping op 28 februari l894 werd Hendrik Schellekens voor f 1900 eigenaar van koop nr. 17, bestaande uit enkele percelen hakhout en weiland onder Goirle en Hilvarenbeek.
Het tiendrecht onder Hilvarenbeek werd voor f 250 eigendom van notaris Huijsmans uit Hilvarenbeek. De massa van de kopen 1 t/m 16 kwam voor f 40.450 in handen van voornoemde Huijsmans en Wilhelmus Jan Hubert van Beusekom. Het jachthuis en de warande werden persoonlijk eigendom van Hubert van Beusekom. Huijsmans werd eigenaar van de twee boerderijen op Rovert bewoond door Jan Stoops en Ludovicus van Eijken. De rest van de koop bleef onverdeeld.

Het landgoed Gorp en Rovert

Door de koop van de boerderijen op Rovert werd door De Zerezo de basis gelegd van het latere landgoed Gorp en Rovert. Rovert was een van de drie buurtschappen in dit heidegebied aan de grens en speelde na de Belgische opstand als grenspost opnieuw een belangrijke rol, totdat het grenskantoor ter plaatse door koning Willem III in 1855 werd opgeheven en verplaatst naar de nieuw aangelegde steenweg van Tilburg naar Turnhout. Na het verdwijnen van het houten grenskantoortje en de eeuwenoude watermolen over de Leij in de eerste helft van de 19e eeuw, bestond de bebouwing op Rovert uit slechts twee boerderijen, die dus via de familie De Zerezo in handen kwamen van notaris Emile M.J.W.E. Huijsmans, een ambitieus man, die dankzij grote geldleningen bij de Tilburgsche Hypotheekbank een aantal landgoederen in de omgeving van Hilvarenbeek bezat. Naar zijn bezittingen onder Esbeek noemde hij zich heer van Aalst en Thulden, aan de weg van Hilvarenbeek naar Diessen lag zijn landgoed 'Annanina's Rust', en het landgoed Gorp werd door hem uitgebreid door de aankoop van 25 ha heide van de gemeente Goirle.
Na zijn overlijden te Hilvarenbeek op 3 mei 1920 verkocht zijn weduwe, Maria Louise Henriëtte Sletering, haar bezit op Rovert aan de Goirlese fabrikant E. van Puijenbroek. Haar aandeel in het landgoed Gorp kwam in handen van mede-eigenaar Willem Jan Hubert van Beusekom. 

Hubert van Beusekom werd geboren in l855. Hij was werkzaam bij het kadaster en in l928 adviseur honorair van het departement van financiën. Hilvarenbeek en omgeving waren hem niet onbekend, zijn
voorvader mr. Michiel Hubert was de laatste halfheer van de heerlijkheid Hilvarenbeek en zijn vader had aldaar gewoond als rijksontvanger. Te Hilvarenbeek stond hij bekend als een lastig heerschap, die geen buitenstaanders op zijn landgoed duldde en een duidelijke mening had over de plaatselijke bevolking, gezien de inhoud van een telegram, dat hij in 1928 verzond aan de minister van Binnenlandse Zaken: de Tilburgsche courant van 14 Juli 1928 bevat bekendmaking dat van af dien dag door den burgemeester van Hilvarenbeek toestemming kan worden verleend tot het afstoken van heide, waardoor luie boeren van den last van het onderploegen der heide, ofschoon veel meer bevorderlijk voor hare ontginning, worden verlicht, ten koste van groot brandgevaar door overwaaiing in dezen droogen tijd, gezien de telkens in deze streken voorkomende branden, waarvan ik er onlangs zelf op mijn landgoed Gorp in een week twee met eigen volk had te blusschen.
Ik veroorloof mij uwe Excellentie eerbiedig te verzoeken een eind te willen maken aan deze domheidsmacht, althans onmiddellijk te willen gelasten, dat door den burgemeester geen toestemming tot het afstoken van heide mag worden gegeven.
Bij het onderzoek van deze klacht door de houtvester van houtvesterij Eindhoven van het Staatsbosbeheer werd Hubert van Beusekom in het ongelijk gesteld. De houtvester constateerde ook dat de eigenaar van Gorp bij iedere overtreding die geconstateerd wordt een zo hoog mogelijke straf uitlokt en zich zo gehaat heeft gemaakt bij de bevolking, dat in geval van bosbrand niemand kwam helpen om te blussen.

Het landgoed bedreigd

Willem J. Hubert van Beusekom overleed te 's-Gravenhage op 16 februari 1939. Gorp bestond toen uit twee complexen: dat onder Hilvarenbeek, groot bijna 475 ha en onverdeeld bezit van de overledene, en het complex Goirle, groot ruim 105 ha begrensd door de rijksgrens in het zuiden, de Poppelseweg in het westen en de Rovertse Leij in het oosten, inmiddels eigendom van A.P. Hubert van Beusekom en juffrouw C.H.A.P. Hubert van Beusekom.
Na het overlijden van Willem Hubert van Beusekom boden zich verschillende kopers aan voor het landgoed Gorp. De burgemeester van Goirle zond vertrouwelijke brieven naar de directeuren van Staatsbosbeheer en de Cultuurtechnische Dienst te Utrecht met als doel Goirlese werkelozen na de verkoop op het landgoed te werk te stellen. Door de gemeente Goirle zelf werd een bod van f 31.000 gedaan op 63 ha weiland en heide. De gemeente Hilvarenbeek had belangstelling voor het gedeelte van het landgoed op Beeks grondgebied en ook levensverzekeringsmij. De Utrecht toonde belangstelling. Door de houtvester te Eindhoven werd geadviseerd het landgoed te verkopen aan het departement van Sociale Zaken, waarna de natuurschoonrijke gebieden konden worden overgedragen aan het Staatsbosbeheer. Een heel ander plan werd op tafel gelegd door de Cultuurtechnische Dienst. De consulent van deze dienst achtte het landgoed zeer geschikt voor verdere ontginning, met uitzondering van 120 ha hooggelegen gronden. Hij wilde voorkomen dat het landgoed weer in één hand kwam en de vestiging stimuleren van landbouwers met voldoende bedrijfskapitaal, waarbij hij gesteund werd door landbouworganisaties als de Jonge Boerenstand in Goirle. 
Voor de aankoop en de ontginning werd door hem een bedrag geraamd van f 820.000, waarna het landgoed in handen gegeven zou worden van de stichting Werkverschaffing en Ontginning Noord-Brabant te 's-Hertogenbosch, voor bewerking door werkelozen. Na verkaveling zou het gebied in handen komen van de door de consulent beoogde doelgroep.

De nieuwe eigenaar

De familie Hubert van Beusekom gaf de voorkeur aan verkoop aan de voornoemde maatschappij De Utrecht, maar door een compromis met deze maatschappij zou de Goirlese fabrikant Eduard van Puijenbroek uiteindelijk de eigenaar van Gorp worden. Van Puijenbroek had reeds belangen in het gebied. Hij had Rovert gekocht van de weduwe Huijsmans en in 1927 werd hij eigenaar van het Bankven, een gebied van ongeveer 8 ha, ten noorden van Gorp. Verkoper was landbouwer/wethouder Adriaan de Brouwer uit Goirle. Dit nadat verkoop door De Brouwer aan de in 1919 opgerichte ijsclub 't Bankven te Goirle mislukt was. Bovendien was Van Puijenbroek in 1929 eigenaar geworden van het landgoed Tulder te Esbeek door koop van August Herman Kloppenburg uit Den Haag. Dit landgoed, dat grensde aan het bezit van De Utrecht werd in juni 1939 door Van Puijenbroek afgestaan aan deze maatschappij, op voorwaarde dat zij af zouden zien van de koop van het landgoed Gorp, dat nu eigendom werd van de familie en de N.V. Van Puijenbroek te Goirle.

Als een enclave bleef binnen het landgoed Gorp en Rovert de Nieuwe Hoef met omgeving aan de Rovertse Leij, groot ongeveer 40 ha, eigendom van de familie Hubert van Beusekom. Dit gebied werd in de zestiger jaren eigendom van de stichting Het Brabants Landschap.

Nieuwkerk

Het landgoed Nieuwkerk ontstond pas in het begin van de 19e eeuw maar de oudste bebouwing in dit gebied gaat terug tot in de 13e eeuw. In die eeuw bezat de abdij van Tongerlo ter plaatse een hoeve aen die Ludinxvoirt, welke op 26 juli l292 werd uitgebreid door de koop van 14 bunders grond van hertog Jan I van Brabant.
Deze hoeve is later verdwenen en in 1650 is er sprake van de nieuwe hoeve genaamd de Koeijweijde, die in 1716 omschreven wordt als de schans inde Koeijweijde aende Steenvoort onder Gool daer Jan Rieberghs op woont. Inmiddels werd naast de oude benaming van dit gebied, Steenvoort, vooral de naam Nieuwkerk gebruikt.
Op het Poppelse gedeelte van Steenvoort, volgens een mededeling uit 1663 van pastoor Van Dijck uit Tilburg, voorheen een plaats waar wolven en serpenten woonden, werd de bebouwing van deze buurtschap aanzienlijk uitgebreid rond 1650. In dat jaar werd er de schuurkerk van Tilburg gebouwd. Zeven jaar eerder hadden de Goirlenaren iets meer naar het westen hun schuurkerk opgericht, die de naam Goolse Kluis of St. Jans Gool droeg.

Door prelaat Wichmans van de abdij van Tongerlo werd in 1656 aan schepen Adriaen Soffaerts uit Tilburg opdracht gegeven op Poppels Steenvoort een nyen huijs te stellen met eene camer daer aen voorsien met twee beddesteden ende dat op onsen gront omtrent de nyeuwe kerck van dije van Tilborch, ter plaetse genoempt dye Coeijweijde langs de straete, met verstande ende conditie dat de voorseijde camer altijt sal wesen ende blijven tot gerieff ende gebruijck van de heer pastoirs ende capellaenen van Tilborch. Dit huis, waarin ook herberg werd gehouden, kreeg de naam de Vyer Hemskeijnders, maar werd later bekend als het Wit Huis.
Tot aan de Franse tijd zou de abdij van Tongerlo de voornaamste grondeigenaar zijn in dit gebied. De grote omwenteling op politiek en staatkundig gebied, teweeggebracht door de Franse revolutie, zou de oorzaak worden van het ontstaan van het landgoed Nieuwkerk.

Nieuwkerk domeingoed

De abdij van Tongerlo werd op 6 december 1796 opgeheven. Enkele maanden eerder werd provisor Heijlen door de representanten van Bataafs Brabant gemachtigd de abdijgoederen in dit gewest te vervreemden of te bezwaren, waarna op 19 december 1796 aan pastoor Mutsaerts te Alphen, een norbertijn van Tongerlo, opdracht gegeven werd om de abdijhoeve op Nieuwkerk te verkopen. Deze verkoop is niet doorgegaan, gezien het feit dat de boerderij in september 1797 op de pastorie te Alphen opnieuw voor zes jaar verpacht werd aan Peter van Dun. In 1804 was de definitieve inbeslagname van de abdijgoederen echter een feit. Het beheer kwam in handen van de Commissie van administratie te Breda en in 1809 werden de voormalige abdijgoederen keizerlijk domein om na de val van Napoleon deel te gaan uitmaken van de rijksdomeinen van het koninkrijk Nederland. Stilaan begon toen de vervreemding van de voormalige abdijbezittingen.

Van het feit dat de katholieke bevolking geen geconfisqueerde geestelijke goederen wilde kopen, werd dankbaar gebruik gemaakt door Jacob Gijsbert van Hogendorp, die door koop van de Domeinen op 10 juli 1820 eigenaar werd van de Oude- en Nieuwelandse Hoef, de Groote Hoef en de Kwaalburgse Hoef, voormalige boerderijen van de abdij van Tongerlo, gelegen onder Alphen. De koop werd gesloten voor een totaalbedrag van f l5.825 en koper voor Van Hogendorp was Cornelis Jan van Gent, particulier te Tilburg. In die tijd zal van Hogendorp ook eigenaar zijn geworden van het Wit Huis op Poppels Nieuwkerk. 
In de atlas der grenspercelen van het kanton Tilburg staat het Wit Huis op naam van Van Hogendorp, maar de hoeve de Koeijweijde op naam van 's rijksdomeinen. Toch moeten, ook volgens auteur Erens, de laatste voormalige abdijgoederen op Nieuwkerk tussen 1820 en 1830 eigendom zijn geworden van Van Hogendorp. 

Graaf Gijsbert Jacob van Hogendorp

Graaf Gijsbert Jacob van Hogendorp werd op 9 mei 1783 te Amsterdam geboren als zoon van Diederik Johan François, graaf Van Hogendorp van Hofwegen, heer van Tilburg en Goirle, en van Margaretha Johanna Munter. Diederik J.F. van Hogendorp overleed te Amsterdam 25 maart 1803. Bij de deling van de goederen in l8l0 blijkt dat de familie Van Hogendorp, in tegenstelling tot wat verschillende auteurs beweren, dan nog geen onroerende goederen bezat op Nieuwkerk. 
De jongste zoon, Gijsbert Jacob (Jacques) erfde het derde lot met een waarde van f 50.61,11, bestaande uit een huis aan de Herengracht te Amsterdam, land te Naarden en Stolwijk, alle schilderijen, prenten en gravures, 1/3 van het meubilair, effecten en contanten. Tien jaar later zal Van Hogendorp grootgrondbebezitter worden in Alphen en Goirle. 

Opmerkelijk is dat kort na 1820 begonnen werd met het verwerven van land op Nieuwkerk, zowel te Goirle als te Poppel door aankoop van land van particulieren, maar ook door gebruik te maken van de zuinige instelling van de Goirlese gemeenteraad.
In 1824 vroeg de graaf aan het gemeentebestuur van Goirle voormalige gemeijnte te koop, waarmee voor de prijs van f 8 per bunder akkoord werd gegaan. Van Hogendorp werd eigenaar van ruim 103 bunders inculte grond aan de Nieuwkerk aldaar in de regte heide, een perceel inculte grond in de Overheide van ruim 16 bunders, en ruim 63 roeden land aan de Leunisvoort aan de baan van Nieuwkerk naar Goirle. Tegelijkertijd vroeg hij toestemming om een veldoven van 13 à 14 monden op de heide te mogen bouwen voor het bakken van stenen, waarmee de raad akkoord ging op voorwaarde dat de leemkuilen na gebruik geslecht zouden worden en de parochiekerk van Goirle voor iedere mond stenen l ontving, zo als van ouds gebruikelijk.
Kort hierna begonnen de bouwactiviteiten op Nieuwkerk. Hoeve de Koeijweijde werd vervangen door huize Nieuwkerk; langs de Goolsche Baan, later de Dooidreef genaamd, liet de graaf een grafkelder bouwen; op de plaats van de voormalige Goirlese schuurkerk verrees de St. Janskapel aan de weg naar Alphen boerderij de Ooievaartsnest en een huis bestaande uit drie arbeiderswoningen genaamd de Hanzelust.

Door Van Hogendorp werd ook het initiatief genomen tot aanleg en/of verbetering van de wegen van Nieuwkerk naar Alphen, Goirle, Poppel en Hilvarenbeek. In 1826 werd Willem Broers uit Goirle, van goed en alleszints loffelijk gedrag, met goedkeuring van de gouverneur van Brabant benoemd tot particulier bos- en veldwachter van 's graafs landerijen te Poppel, Goirle en Alphen. Zelf woonde hij in deze tijd niet op Nieuwkerk, maar aan de Molenstraat te 's-Gravenhage, waar hij referendaris le klasse was bij de Raad van State, secretaris van de raad van ministers en adjunct houtvester. In Den Haag maakte hij in 1834 zijn testament, waarin hij bepaalde dat zijn broer Andries Willem van Hogendorp erfgenaam zou worden van de Goirlesche en de Poppelsche Nieuwkerk en van drie boerderijen in de Hoeven te Alphen. Daarnaast waren er een groot aantal legaten, bijvoorbeeld voor zijn schoonzuster Van der Sleijden het snoei- en tuingereedschap op Nieuwkerk en voor schoonzuster Boogaert van Alblasserdam een zijden geruiten zakportefeuille bevattende haar van mijn ouders en zoo ik meen van mijnen afgestorven neef Jan en de kleeding van mijn moeder en haar kanten in de Oost-Indische kist of elders. Iedere arbeider kreeg f 50 en een kledingstuk. Aan opzichter Govert Baaijens werd de helft van zijn schuld kwijtgescholden. Volgens het testament was zijn angst voor de dood, vooral om levend begraven te worden, groot. Zijn nabestaanden mochten geen rouw dragen en na het overlijden moest door een chirurgijn adergelaten worden of zoonodig een operatie verricht, waaruit met volste overtuiging blijkt dat ik werkelijk ben overleden. Hij verlangde een eenvoudig burgermansgraf, dat niet met een steen, maar slechts met planken werd afgesloten.

De laatste jaren van zijn leven woonde de graaf op Nieuwkerk waar Hendrik Mutsaers uit Tilburg als rentmeester bij hem in dienst kwam. Op 2 november l845 reed de graaf op zijn driejarig paard naar Tilburg, maar bij het kerkhof aan de Schijf sloeg het paard op hol. Van Hogendorp bleef met zijn voet in de stijgbeugel hangen en werd nog een tijd meegesleurd. Na verpleegd te zijn op het kasteel van zijn broer aan de Hasselt, overleed hij in Tilburg op 4 november 1845. Hij werd begraven in de grafkelder op Nieuwkerk.
In de Bredasche Courant werd melding gemaakt van zijn overlijden na een allersmartelijkst lijden van meer dan 38 uren. Volgens dit bericht was hij de raadsman der bekommerden, de toevlucht der ongelukkigen, de vriend der armen en de trooster en beschermer van lijdenden en hulpbehoevenden. Bij zijn begrafenis op Nieuwkerk waren naast zijn familieleden de gewone lijkbidders, de twee gilden van Goirle met trom en vaandel in de rouw en een groote menigte inwoonders uit Goirle, Poppel en Alphen aanwezig. Het woord werd gevoerd door dominee Schotel, predikant te Alphen, Chaam en Baarle.

Nieuwkerk verkocht

Na de dood van Van Hogendorp vond in 1847 een boedelscheiding plaats te Terheijden tussen Andries Willem van Hogendorp, ontvan-ger te Dordrecht, en de kinderen van Johan Diederik François van Hogendorp. De totale waarde van de nalatenschap bedroeg f 102.040. Volgens de testamentaire bepaling erfde Andries Willem onder andere Nieuwkerk, waarvan Hendrik Mutsaers rentmeester bleef. In 1856 vond voor de eerste keer een publieke verkoping plaats van het landgoed in achttien partijen door de kinderen van wijlen graaf Andries Willem van Hogendorp, die op 24 september 1855 te Dordrecht was overleden. Hierbij werden door de kinderen van Johan D.F. van Hogendorp de Kleine en de Pastoriehoeve in Alphen te koop aangeboden, ook afkomstig van Gijsbert Jacob en hun eigendom geworden bij de boedelscheiding in 1847.

De eerste koop bestond uit huize Nieuwkerk, een buitenverblijf bevattende zeven zoo beneden als bovenkamers, waaronder eene salon, grootendeels geplafonneerd en behangen, voorzien van stookplaatsen met marmeren schoorsteenmantels, met aangelegen rentmeesterswoning, schuren, stallingen en afzonderlijk badhuisje, Engelsche tuinen, kweek- en moestuinen, bouw- en weilanden, de graftombe der voormalige eigenaar, larixen en dennenbosschen, eiken, cypressen en andere plantsoenen, mitsgaders heidevelden, van het riviertje de Leij doorsneden en alles van wallen omgeven, zijnde in deze koop ook begrepen het jachtrecht op de gronden van Goirle. Andere kopen waren de Ooievaartsnest, de Groote, de Nieuwelandse en de Ouwelandse Hoef, huis Boschlust onder Alphen, de Hanzelust en de Poppelse of brabantsche Nieuwkerk bestaande uit het Wit Huis met schaapskooi, bakhuis en duiventil alsmede een vijver met daarin een eilandje en een tweede bouwmanswoning. Getuigen bij de veiling waren de burgemeesters van Goirle en Hilvarenbeek, maar de verkoop van de Hollandsche en Brabantsche Nieuwkerk en de Hanzelust werd opgehouden. Deze onroerende goederen met een opppervlakte van ruim 112 ha kwamen in 1860 opnieuw onder de hamer en eigenaar werd toen voor f 40.500 Jean François de Meester, burgemeester en grondeigenaar te Heijndonck.

Een jaar later, op 13 mei 1861, verklaarde burgemeester Van Gorp uit Goirle dat hij zich als ambtenaar van de burgerlijke stand 's morgens om acht uur naar Nieuwkerk had begeven, waar op verzoek van Eugène Jan Alexander, graaf van Bylandt, en Paul, graaf van Hogendorp, drie kisten geruimd waren uit de grafkelder, bevattende de stoffelijke resten van Gijsbert Jacob van Hogendorp, Diederik Johan François, graaf van Hogendorp, heer van Hofwegen, Goirle en Tilburg en diens tweede vrouw Maria Johanna van der Sleijden. De kisten werden voor herbegraving naar Dordrecht gebracht.

De nieuwe eigenaren

Jean François Xavier de Meester de Bocht, ridder in de Leopoldsorde en getrouwd met Jeanne Marie Petronella Gaucheret, heeft meteen na de koop van Nieuwkerk pogingen ondernomen om het landgoed in zijn oude omvang te herstellen. In l862 werd daartoe van de gemeente Goirle bijna l50 bunder heide gekocht voor de prijs van f 5.763,64 en werd van particulieren land gekocht in de Krombeemden. Daarnaast kocht hij voor f 1000 het heerlijk jachtrecht van Riel van Cornelis Vingerhoets, gemachtigde van Hilverdina Theodora baronesse Sloet van Zwanenburg zich ook noemende Van Hilvarenbeek, waarbij de verplichting de jachtrechten van baron de Zerezo de Tejada gestand te doen tot 1 juli 1881. Verder bezat hij door de koop van Nieuwkerk het heerlijk jachtrecht van Goirle en Tilburg ten zuiden van de weg van Breda naar 's-Hertogenbosch.

De Meester zou Nieuwkerk vooral gekocht hebben voor zijn zoon Edmond Marie Ferdinand, maar deze zoon overleed in 1880. De Meester de Bocht overleed zelf te Brussel, ab intestato, op l5 mei 1881, zijn dochter Jeanne Hermance nalatende als enige erfgenaam. Zij verpachtte het heerlijk jachtrecht van Goirle en Tilburg in 1887 aan de Tilburgse notaris Joseph F.J. van de Mortel en fabrikant Martinus C. Brouwers. Het beheer van Nieuwkerk liet zij over aan de Tilburgse notaris Louis Daamen, die na haar overlijden te Heijndonck op 24 juli l909 1/3 deel van het landgoed zou erven. Haar andere erfgenamen, zes neven en een nicht, verkochten in l9l0 de heerlijke jachtrechten van Alphen, Riel, Goirle en het zuidelijk deel van Tilburg aan de Brusselse industrieel Larsen Mellin. Van het resterende deel van Nieuwkerk werden haar neef Albert De Meester de Betzenbroeck, grondeigenaar te Rijmenam, en diens broer dom Leon de Meester, benedictijn te Leuven, erfgenaam, ieder voor 1/3 deel. Nadat A. de Meester de Betzenbroeck het deel van zijn priesterbroer had gekocht lukte het hem ook het deel van notaris Daamen in handen te krijgen, waarna De Meester de Betzenbroeck, die in l944 op Nieuwkerk overleed, het landgoed alleen ging exploiteren. Door zijn toedoen werd in 1913 een succersaalhuis van de missionarissen van de H. Familie op Nieuwkerk gesticht en werd in l9l4 hotel de Golf op het landgoed geopend, een vóór de oorlog zeer gezocht ontspanningsoord met een doolhof, een kettingbrug en een speeltuin. Tijdens de bevrijding van Goirle, in oktober 1944, werd in dit gebied zeer zwaar gevochten en werd de Golf onherstelbaar beschadigd. Huize Nieuwkerk, in de 20e eeuw Dennenoord genaamd, ging verloren door een schoorsteenbrand op zondagmorgen 12 december 1943.
Door het huwelijk van de enige dochter van De Meester de Betzenbroeck met baron André de Jamblinne de Meux, kwam het landgoed tot op de dag van vandaag in handen van dit Belgische geslacht.

 

Thulden (en het Broekeling)

 Het Nieuwsblad van het Zuiden - zaterdag 13 juni 1964

THULDEN!... Zó oud..., zó mooi..., zó interessant..., zó dichtbij... en toch zó onbekend!... Zouden we er eigenlijk wel over schrijven? Betekent het geen soort heiligschennis dit eenzame "land aan de grens" uit zijn sluimer te wekken en was het niet beter het rustig, met de ziel naar binnengekeerd, te laten voortvegeteren tot de inwoners van Nederland niet meer aan hun 400 vierkante meter bos en woeste grond per hoofd komen? Maar een mens is vindingrijk in het goedpraten van de dingen die hij graag doet en zo hebben we onszelf wijs gemaakt niet verplicht te zijn dit mooie plekje op misschien twintig kilometer van Tilburg stiekem achter de arm te houden, zeker niet voor degenen, wier behoeften verder dan bermtoerisme gaan en die een verblijf in rustige en ongerepte natuur als een solide vorm van geestelijke hygiëne beschouwen. De dorstlavende cafés en restaurants ontbreken er toch! Het zal er niet ineens storm gaan lopen. Het blijft dus voor de fijnproevers. Dus dan toch maar de schijnwerper gezet op de oude heerlijkheid Thulden en het zich daar bevindende moerasgebied het Broekling op de terreinen van "De Utrecht" ten zuiden van Esbeek. Per auto is het complex alleen te bereiken van de zijde van de grote betonweg naar Eindhoven via de Torenlaan, al weten de zwervers langs Gods zandwegen dan nog wel andere routes...

 

De naam Thulden luidt in de volksmond Tulder, maar men treft er nog een paar andere spellingen van aan, zoals Tuldel en soms ook wel Teulder. Het gebied ligt tegen de Belgische grens. In de loop der jaren heeft "De Utrecht" er uitgebreide ontginningen uitgevoerd, maar ook even uitgebreide aanplantingen gedaan en zo kreeg men het beeld, dat juist voor het landgoed "De Utrecht" zo karakteristiek is: rondom door bossen ingesloten weiden en akkers, goed onderhouden bossen en hier en daar brokken natuur, die met opzet in hun oorspronkelijke staat werden gelaten. Dit alles bijeen maakt zo'n harmonisch geheel, dat men de hand van de mens zonder al te veel moeite uit de natuur kan wegdenken.

Een centraal punt vormt de boswachterswoning Rovertsebaan nr. 1. Het moet wel een grote botterik zijn, die hier niet gegrepen wordt door wat hem omringt, zeker wanneer hij daarbij ook nog iets van de historie weet. Want dat is het curieuze: men mag Thulden niet los van zijn geschiedenis zien. Juist hierdoor krijgt het zijn accent en wordt het uitgeheven boven natuurschoon zonder meer. Het hult zich in een waas van romantiek en het dwingt tot filosoferen over 't pregnante woord van Heraclitus "panta rhei", alles stroomt voorbij, al heeft de Griek het dan ook breder en dieper bedoeld.

 

Oude gevelsteen

Ook op Thulden is alles voorbij gestroomd, waarbij we niet eens terug behoeven te denken aan de zwervende oermens op de Aalster- en Teulderheide, maar rustig in een meer recente tijd kunnen ronddolen.

Thulden heeft niet altijd gevegeteerd als nu en ge krijgt daar een vermoeden van wanneer ge in een verwaarloosd jachthuisje naast de boswachterswoning boven de deur een grote, ingemetselde gevelsteen ontdekt. De steen bevat een bisschopswapen met aan de bovenzijde het jaartal 1662 en aan de onderkant de spreuk "Ne quid nimis", woorden die we bij Terentius aantreffen en die nu eens aan Chilon dan weer aan Solòn worden toegeschreven. Ge tracht dat Latijn te vertalen: Niets te veel... alles met mate... "Maet hout staet" en er schiet u de toneelclub van Hilvarenbeek te binnen, die deze naam voert en daartoe misschien wel door deze steen geïnspireerd werd. Voor uw geestesoog rijst een mens, die deze spreuk koos en ge ziet 'n spoor van karakter, wijsheid en bedachtzaamheid van zachtjes aan dan breekt het lijntje niet! Nog altijd van toepassing op Thulden, dat nog door geen haast gegrepen is.

 

Pleisterplaats

Als een jachthond op het spoor van het wild duikt ge dan in de historie en vindt dat de steen afkomstig is uit een kasteel of klooster, dat hier vroeger gestaan heeft en waar de abt Thuldanus zetelde. De volksmond wijst Thulden aan als pleisterplaats voor een oude weg van Luik naar Holland. Er stonden hier logementen, bierbrouwerijen en een jeneverstokerij, zoals J.M. Lauwers verhaalt in zijn boekje "Langs de Hilverboorden", waaraan we een aantal van deze gegevens ontleenden.

In 1860 stonden er op Thulden nog drie oude boerenhuizen, waaronder een dubbel, met samen ca. 35 ha bouwland. Bekend waren de zevenmakers van Thulden. Zij leverden materiaal voor de boerenkafmolens. De laatste herberg verdween omstreeks 1880. De Thuldense hei was ook bekend om haar honingrijkdom. Tot uit de kleistreken kwamen imkers met tientallen korven vol bijenvolken naar Thulden. In één seizoen zijn er wel eens 2300 korven geteld.

 

Abdij van Averbode

De oudste bekende eigenaresse van Thulden is de abdij van Averbode zoals uit twee oorkonden van 1298 blijkt. Door de abdij werd de bezitting als cijnsgoed gegeven aan een laat- of cijnsman van wie een oorkonde van 1605 er één vermeldt.

in 1756 werden "Paghthoeve, Weyden, Beemden, Dennebosch met verdere plantagiën en Heyden", zo citeert Lauwers, verkocht aan Anthony Swagemakers voor de som van f 2.000,--. Het werd "geërft en gevest" in gemelde hoeve ten overstaan van de drost van Hilvarenbeek, Anthonie Timmers, en Johan Lemnius, schepen van de vrije heerlijkheid en dingbanke van Hilvarenbeek. 17 november 1783 ging het over aan een familielid Arnoldus Swagemakers, die in 1794 zijn goed weer overdeed aan zijn neef Adriaan Wijgerde voor f 5.000,--. Het geslacht Wijgerde behield het goed tot 1847 in onverdeelde boedel.

 

Nieuwe bezitters

Op 19 augustus 1855 kwam het tussen de familie tot een acte van scheiding en deling ten overstaan van notaris Jacobus Ceulemans te Turnhout. Eigenaresse werd toen Rosalie Victoria Magnin. Van haar ging Thulden over op Adrianus Francken, die in 1895 "het heerlijk goed" met vrije jacht en alle rechten, titels en privilegiën en gerechtigheden verkocht aan notaris Huysmans te Hilvarenbeek. Deze was het, die het jachthuisje liet bouwen, waarin zich de hierboven vermelde gevelsteen van 1662 bevindt. Een tweede steen, naast de deur van het huisje, bevat de inscriptie: "E.M.J.W.E. Huysmans, Heer van Aalst en Thulden, 5-10-1900". In 1924 verkocht mevrouw de weduwe Huysmans het aan A.H. Kloppenburg te Semarang in het toenmalige Indië. Daarna kwam het in handen van de heer E. van Puyenbroek te Goirle en thans is "De Utrecht" er de eigenaresse van.

Tot de rechten van Thulden behoort onder andere het recht om met "bestiaal" gebruik te maken van heide en weide van Poppel, Weelde en Mierde. "Binnen de wallen" was Thulden groot 77 ha, maar het totaalbezit met Aalst en omliggende heide bedroeg rond 1924 de oppervlakte van 231.52.42 ha.

 

Martelaar van Gorkum

Lauwers vertelt verder, dat volgens een oude brief, die op de pastorie van Esbeek berust en die gericht was aan de kantonrechter van Abcoude, Thuldenhoeve de geboorteplaats van de H. Adrianus was, een van de martelaren van Gorkum, naar wie in Tilburg ook een straat genoemd werd, te weten de Adrianus van Hilvarenbeekstraat.

Uit het geslacht van Thulden is onder andere gesproten de in 1606 te Den Bosch geboren en in 1676 aldaar overleden schilder en graveur Theodoor van Thulden. Hij was een leerling van Rubens onder wie hij lang werkte en die hij sterk imiteerde zonder diens grootheid en kracht te bereiken. Zijn beeltenis prijkt op het Bossche stadhuis, waarin ook een viertal van zijn doeken hangt.

 

Centraal punt

Met dit stukje historie als geestelijk decor op de achtergrond keren we nu terug tot het centrale punt van Thulden, dat voor ons de omgeving van de boswachterswoning van de heer Van de Brink, vormt. Het riante huis, met een koepel op het dak en aan weerskanten van de hoofddeur misschien wel veertig kleine popperuitjes met daarnaast in driehoeken rood-wit-groen geschilderde venstertjes, ligt aan bijna drie kanten door hoog geboomte ingesloten. Aan de voorzijde wordt het overschaduwd door een pracht van een oude linde. Zij steekt ver boven het huis uit en haar knoestige en bultige stam draagt al vanaf de grond bebladerde scheuten zodat zij pronkt als een pauw met zijn staart.

 

Soppen in de hemel!

Één zijde van het huis met de langgerekte schuur er achter ligt echter open als een enorm luik op de hemel en hierdoor valt een plas zonlicht op een tuin en een goed onderhouden grasveld, die de gehele omgeving zo verrassend lucide en tegelijkertijd mystiek maakt als een schilderij van Fra Angelico, bij de aanraking waarvan Felix Timmermans meende een vinger in de hemel gesopt te hebben. Ook hier sopt ge in de hemel! Denk nu niet, dat wij ons aan wat dichterlijke overdrijving schuldig maken! De plek is uniek op de wereld, die hier altijd ingehouden te juichen staat. Het heerlijkst vóór de vroege namiddaguren met de zon er bij. Maar ook zonder zon is "het" er. We namen eens de proef met iemand, die hier nooit geweest was en die schier onaardse luciditeit was het eerste wat hém, de totaal onvoorbereide, trof.

 

Dat kan allemaal!

Als ge, bekomen van de eerste overrompeling, ontdekt langs de asfaltweg met beide voeten tussen de nu inmiddels weer uitgebloeide lelietjes van dalen te staan, een bloem die in onze streken maar op enige plaatsen voorkomt, wees dan niet verbaasd. Het is zo, dat kan hier allemaal.

Na deze introductie moogt gij uw wandeling aanvangen. Een wandeling onder hoge sparren, eiken en beuken of jonge aanplant, tot ge komt bij een verwaarloosde vijver, waar metershoge rododendrons paars te juichen staan. De varens zitten ook al meer dan een halve meter boven de grond en straks zullen ze manshoog de bosgrond toedekken. Wandel eens langs de haag van krentebomen, rechts van de boswachterswoning, en duik eens in de wilde bospartijen achter de moestuin, totdat ge er weer aan herinnerd wordt op "De Utrecht" te zijn, doordat ge op open akker- en weiland stuit, daar waar tot voor de oorlog nog heide was en het nu verdwenen Kromven lag.

 

Broekeling

Maar er is nog een vennengebiedje overgebleven, namelijk het Broekeling. Niet zo groot, maar wél uniek. "De Utrecht" heeft het bij de ontginningen gespaard, omdat zij het "doodzonde" vond er aan te komen!

We gaan nu vanaf de boswachterswoning terug over Thuldensdijk langs de boerderij van Harry Oerlemans. Komen van de asfaltweg op een klinkerweg en duiken dan in het tweede kleine doorgangetje aan de rechterkant. Na vijftig meter kunt ge met de auto niet meer verder, maar dat hoeft ook niet, want hier dient het paard van Sint Franciscus ingespannen. Ge gaat te voet!

 

Rondom het ven

Bij een bruggetje met een watervalletje in vóór- en najaar staat ge aan een gedeeltelijk dichtgegroeid ven met een ongekend rijke moerasvegetatie, waarin juist wat jonge eendjes wegschieten. Zacht wuift het veenpluis langs de oever en op het open deel van het ven ligt tussen haar brede groene bladeren de witte waterlelie mooi te zijn als de koningin van alle waterplanten. De weg loopt achter het ven om - helaas langs de landerijen, waarom heeft men hier ook niet een strook bos uitgespaard - en gaat dan dwars door het ven heen over een dichtbegroeid pad met halverwege een bruggetje van betonpalen. Aan de overzijde gekomen gaat men naar links. Zo rondt men het ven in de vorm van een acht en keert weer op zijn uitgangspunt terug. Wie over veel tijd beschikt, kan zijn wandeling uitbreiden tot een soortgelijk achter dit ven gelegen moerascomplex, dat ook enige kleine vennetjes en een romantisch pad-door-de-wildernis omvat.

 

Worden en vergaan

Bij de geschiedenis van Thulden zijn de gedachten al even uitgegaan naar komen en verdwijnen..., worden en vergaan. Deze gedachten dringen zich in het Broekeling in hevige mate op. Dit langzaam dichtgroeiende ven vormt een duidelijk beeld van het verveningsproces. Jaar in jaar uit komen de planten, sterven af en zakken naar de bodem, waar zij zich in steeds dikker wordende laag ophopen. Dan wordt het ven tot moeras, een met water volgezogen spons, die steeds vaster ineenkoekt. Dan waagt het houtgewas zijn sprong. De gagel als haantje de voorste met even later als opvolger de berk. Het ven is aan zijn laatste levensjaren begonnen. Een deel van het Broekeling heeft zo al een ver voortgeschreden stadium bereikt, maar we komen nog allemaal op tijd om het gade te slaan. Liefhebbers van de natuur, die door geen mensenhand wordt geleid, komen hier aan hun trekken. Het landschap verkeert in echte oerstaat.

 

Hoogeindse beek

Er stroomt ook een kleine beek dwars door het ven, die we op een zeventig jaar oude kaart als Hoogeindse beek zien aangeduid. Zij ontstaat achter Thulden, even over de Belgische grens, krijgt bij Hilvarenbeek de naam van Spruitenstroompje en komt bij Moergestel in de Reusel. Het gebeurt niet vaak dat men zo bij een beek komt, dat men -indien gewild - haar oorsprong kan opzoeken. Voor de bezoekers van Thulden is dit mogelijk, maar dan dient men de auto wel ergens langs de weg achter te laten.

Thulden is ook interessant alleen al bij een blik op een stafkaart. Men ziet dan namelijk, dat bij de ijzeren grenspaal no. 208 de hier kaarsrecht getrokken grens een stompe hoek maakt. Aan de buitenkant van deze hoek nu ligt Thulden, juist als een bastion in een vestingwal. Dat Thulden ook tot de verbeelding heeft gesproken, zou kunnen blijken uit het verhaal van sommigen, dat de "schat van Hilvarenbeek" in de richting van Thulden begraven zou liggen, hoewel ook de Hertgang op Dun, in de nabijheid van de bekende uitspanning "De Bockerijder", genoemd wordt.

 

Zonder ironie

Het is natuurlijk heel goed mogelijk, dat in die grote heidegebieden van weleer in troebele tijden kostbaarheden begraven werden. Het verhaal wordt er echter niet geloofwaardiger op als Lauwers, doodnuchter - zonder een vleugje van ironie - meedeelt, dat de verbergers van de schat het niet nodig vonden de plaats te markeren, daar zij van oordeel waren, dat die schat toch ieder ogenblik kon worden teruggevonden "omdat de plaats, waar zij stonden, het gat in de grond en de kerktoren juist in één rechte lijn lagen".

 

Zo zagen we dan Thulden. Wie allemaal wist, wat hier verteld werd, mag de vinger opsteken! Of is het: Thulden!... Zó mooi..., zó interessant..., zó dichtbij... en toch zó onbekend????

wapen.jpg

 Ω π